Vito Indiveri
Een interview met
Vito
Indiveri, is een van de mensen die mede verantwoordelijk is voor het herstel
van het ras. De honden uit zijn lijnen (Dyrium kennel) worden vandaag de dag
nog door vele Italiaanse fokkers aanbeden. Vito Indiveri is o.a. de fokker
van Wereld Kampioen Quasar, broer van Quaron (foto rechts), welke de vader
is van 3-voudig Wereld Kampioen Chèno. Zijn hond Plud (foto onder) was de
opa van Quasar en Quaron. Plud, is een directe voorouder van zeker zo’n 75%
van de Nederlandse Cane Corsos.
Een interview met Vito Indiveri
Iedereen
herkent in Vito Indiveri de waarde om een van de eerste te zijn die de
mogelijk had om de "kruimels" van de Corsos die overgebleven waren in het
zuiden, te verzamelen. Zijn werk was lang en moeizaam, maar werd
vergemakkelijkt door zijn werk als vertegenwoordiger en door de locaties
waar hij als zodanig werkzaam was; het platteland, met een voorkeur van de
meest afgelegen gebieden; deze twee zaken samen, brachten hem naar de
plaatsen waar nog enkele Corsos bestonden. Verder was er zijn passie voor de
Corso, welke hij al van kindsafaan heeft. Dat is hoe Vito Indiveri, zonder
het zich te realiseren of te plannen, tenminste niet in het begin, zichzelf
een plaats in de geschiedenis van kynologie heeft gegeven, door mee te
hebben gewerkt aan het herstel van een ras dat bijna uitgestorven was. Zijn
onderzoek, misschien in de eerste plaatst alleen gedaan uit nieuwsgierigheid
of misschien door zijn wens terug te gaan naar het bezitten van zijn
grootvaders honden, werd langzaamaan een eindeloze bron van gegevens die een
zeer belangrijke rol speelden in de zoektocht naar de laatste overgebleven
Corsos en de navolgende studies.
Ik ben zelf getuige geweest van zijn
ijverigheid om dit vergeten ras bekendheid te geven, gedelegeerd zonder
iemand zijn informatie, bewijs, documenten en foto’s te misgunnen. Een grote
hoeveelheid materiaal is mij onder ogen gekomen; materiaal dat Vito had
klaargemaakt en gegeven heeft aan die of die keurmeester, die of die
onderzoeker, zodat iedereen, inclusief de ENCI, zich bewust werd van het
feit: De Corso was er nog steeds.
Ik voel me dus genoodzaakt om te
bevestigen dat tussen alle mensen die de eer hebben gehad het eerste
hoofdstuk van de moderne geschiedenis van dit ras te schrijven, Vito
Indiveri hier een belangrijke plaats behoort. Hij is degene aan wie wij, de
mensen uit het zuiden, het behoud en het aantrekken van verschillende
belangrijke fokkers verschuldigd zijn.
Maar laat ons nu luisteren, in zijn eigen
woorden, naar het verhaal van deze opmerkelijke ervaring.
Ik kom uit een familie van
voermannen/transportarbeiders die altijd Corsos hebben gehad. Toentertijd
waren de Corsos de waakhonden van mijn voorouders. Ze werden gebruikt op het
boerenerf om de paarden te bewaken. Mijn familieleden waren
transportarbeiders en paardenhandelaren. Maar deze activiteiten verdwenen
met de opkomst van de landbouwvoertuigen en daarmee verdween de Corso ook.
De eerste keer dat ik ze herontdekte was op de boerderij van Michele Pudala
in Apricena in 1977 of ’78. En ik vond ze net op het moment dat ze de oren
van een aantal pups aan het couperen waren, zonder verdoving. Ik herkende ze
direct en was zeer verrast. Het waren ze echt. De honden van mijn
grootvader! In eerste instantie was ik van mening dat het niet zo belangrijk
was. Ondertussen bracht mijn werk me overal. Ik reisde veel en ging van
zuivelboerderij naar boerderij. Als vertegenwoordiger ging ik nooit naar de
steden, maar altijd naar het platteland, in de meest afgelegen gebieden,
door Puglia, Molise, Calabria, Luciania, Cillà en velen andere plaatsen in
St. Paolo, Apricena, Ordona, Cerignola, Orta Nova, Foggia, Lucera, St.
Severo, Manfredonia, Monte St. Angelo, Peschici, St. Giovanni Rotondo en
Sannicandro Garganico. In een aantal van deze plaatsen vond ik af en toe een
Corso. Ze waren altijd in het bezit van boeren, die ze gebruiken voor het
werk.
Er was een boer in St. Giovanni Rotondo,
een zekere Giuseppe Russo, die me een teef genaamd Sara heeft gegeven voor
de fok. Hij gebruikte haar om zijn schapen in de gaten te houden. De mensen
in Cillà gebruikten ze als veedrijvers om de schapen naar de weiden te
brengen, maar ook als jachthond voor dassen. Richting Abruzzo werden ze
zelfs gebruikt voor de jacht op wilde zwijnen. Ze werden in meerdere streken
voor de jacht gebruikt.
Vanzelfsprekend was het niet eenvoudig om
enige homogeniteit (= gelijkenis in uiterlijk) te vinden, omdat iedere boer
zijn honden fokte zoals het hem het beste uitkwam. Het eerste wat me opviel,
omdat de Cane Corso wat last heeft van de kou, is dat de honden op de
vlakten een kortere vacht hadden dan de honden in de meer binnenlandse
gebieden. Zeer waarschijnlijk omdat het daar kouder was. Ze hadden allemaal
een zeer krachtige bespiering en waren zeer behendig. Ze waren extreem
bedreven in hun werk als waakhond bij schapen etc. Ze hadden nooit rimpels,
vouwen of veel keelhuid. Ze waren altijd zeer snel en erg behendig.
Het couperen van de oren werd altijd
gedaan, omdat zoals de boeren zouden zeggen, de honden ’s nachts los werden
gelaten om te waken en ze altijd een roedel wolven konden tegenkomen. En
daarvoor was het beter dat de honden gecoupeerd waren. De oren werden eraf
geknipt met een schaar en dan wat as en olijfolie erop. Dat was het
coupeersysteem.
Er was geen univers systeem waarop de
selectie van fokdieren plaatsvond. Ten eerste werden de Corsos toen nooit
verkocht en er heerste een soort gevoel van jaloezie tussen de families.
Vaak, als er een nest geboren was, werden alleen de pups die bruikbaar waren
gehouden en de rest werd geëlimineerd. De families combineerde eigen honden,
zelfs als ze verwant waren. Familie op familie. Ik ben de bloedlijnen
nagetrokken door de familienamen en door de regio’s. De regio’s en de
families waren verschillend. Iedere familie gebruikte broers, zusters,
vaders, moeders, ooms en tantes. De boeren, en dat hebben ze me zelf
verteld, wisselden pups uit op markten of kochten nieuw bloed in. Of ze
ruilden een stuk kaas ofzo voor een pup. Ik kwam er ook achter dat als de
Abruzzese kwamen om de kuddes over te plaatsen en ook Maremma Abruzzese
geruild werden voor Corsos. Ik heb hier tijdens mijn onderzoeken heel wat
bewijzen van gevonden, tot aan Campo di Giove in Abruzzo. Omdat ik een
bloedlijn probeerde te achterhalen van de Padula familie. De eerste die ik
ontdekt had en het was een Padula die me als eerst de pups had laten zien.
De enige principes die de boeren volgenden
bij het fokken was het werk. De boeren selecteerden niet op tanden ofzo,
maar alleen op werkeigenschappen. Maar er waren enkelen, zoals Alfonso Comer,
die, omdat ze de Corso als vastbijtende hond gebruikten, altijd probeerde
een wat kortere neus en een sterke onderkaak te krijgen, zodat ze beter
konden vasthouden. Daarbij hadden de slagers die ze gebruikten om over de
varkens en rundvee te waken, ook behoefte aan dit kenmerk. Het is dan
normaal dat deze honden lichtelijk samenkomende gewelfde parallellen moesten
hebben en de neiging voor een lichte ondervoorbeet, omdat dat natuurlijk is
voor dit werk.
Ik kan zeggen dat ik in 20 jaar werk,
nooit ergens een Boxer, Rottweiler, Bullmastiff of Mastiff aan de ketting
heb zien liggen op het platteland waar ook de Corsos waren. In die tijd, bij
die populatie die in handen was van de gewone man, mensen die nooit een Lire
hebben uitgegeven aan honden, die slechts een nestje per jaar fokten om hun
roedel te verjongen en verder niet. Deze mensen wisten helemaal niet wat een
Boxer was, om het zo maar te zeggen. De introductie van andere rassen, als
die er al was, was in de plaatsen waar gevechten werden gehouden, omdat ze
altijd probeerde de gevaarlijkste honden te hebben.
Toen ik mijn onderzoek begon, probeerde ik
altijd de voorouders van de honden te achterhalen. Als iemand met mij over
Corsos sprak, vroeg ik altijd welke voorouders deze honden hadden. Zo kon ik
altijd de afkomst vastleggen. Ook, als er vreemd bloed bij de Corsos werd
gevoegd, kon je dat altijd meteen zien. Iets samenlopende parallellen, een
lichte ondervoorbeet en een parallel lopende neusbrug, kon niet uitgevonden
worden. Het zat er altijd al in. En als iemand beweert dat het ras een
reconstructie is en niet hersteld, dat heeft hij het fout, omdat ik van huis
naar huis ben getrokken en wij onze selectie voornamelijk uit Puglia hebben
gehaald en altijd in samenwerking met het SACC. Zij hebben in het noorden
gewerkt met de honden uit Puglia. Ik fokte onze honden vanuit Campagna. Het
harde werk wat we vandaag de dag nog doen, de andere Pugliese fokkers en ik,
is gebaseerd op bloedlijnen die in Puglia waren gebleven, met het doel het
ras een kans op overleven te geven. En ik heb nog steeds directe
afstammelingen van de honden van het platteland. Het eventueel inkruisen van
andere rassen is gebeurd omdat de Corso een te groot succes heeft, en te
snel, en dus heb je mensen die meer geven om de verkopen dan om de selectie
van goede honden. Dat inkruisen is nu gelukkig geblokkeerd door de erkenning
van het ras. Het ras is hersteld in de meest letterlijke manier. Het is er
zelfs beter van geworden, omdat de honden nu beter verzorgd en gevoed
worden. En dus zijn ze nu mooier. In het geheel presenteert de huidige hond
zichzelf beter, beter verzorgd, correcter, beter gefokt, robuust en beter
gevoed, een glanzende en mooiere vacht. Hij is niet langer de hond aan de
ketting, die alleen nat brood en zemelen te eten kreeg. De huidige hond is
goed doorvoed en er zijn duidelijke verschillen. Maar het type is hetzelfde.
Er zijn mensen die af en toe vergeten dat
dit ras echt op de rand van uitsterving stond. Het herstel heeft echt op het
laatste nippertje plaatsgevonden. Een paar extra jaren zou genoeg zijn
geweest om het hele ras volledig te verliezen. Het was echt een moeilijke
taak om de honden uit te zoeken op de boerderijen. Ik gebruikte de teef van
de een met de reu van iemand anders. En van dat nest, voor alle energie die
ik erin had gestoken, kreeg ik dan 2 pups. En daarmee ging ik verder met
selecteren. Ik heb voor sommige bloedlijnen zelfs reuen moeten gebruiken van
12 of 13 jaar oud. Ik heb ze zelfs moeten helpen met het bestijgen van de
teven.
Als ik het heb over selectie, dan heb ik
het over behouden. Ik heb nooit honden van een ander ras gebruikt, omdat we
het ras probeerden te behouden zoals het was. In het begin zou het
gemakkelijker zijn geweest om zo sneller een ras te maken. Maar door het
niet te doen hebben we een betrouwbaardere basis en nog steeds in staat om
te werken. En juist die honden wilde we behouden. Ik fok nog steeds met
directe nazaten van deze plattelands honden, zoals Griso del Murgese, David
Del Dyrium (foto links), Rasputin del Dyrium (foto vorige bladzijde), allen
rustieke nazaten van Plud en Bruno Junior, een nazaat van Bruno di S. Paolo.
De rasstandaard is gebaseerd op honden
afkomstig uit Puglia, gebaseerd op metingen gedaan door vooraanstaande
keurmeesters zoals: Perricone, Vandoni, Morsiani etc. Hiervoor zijn ongeveer
een 70 honden alleen al door Moriani nagemeten. En al deze honden bestonden,
omdat er boeren waren die echt om hun honden gaven. Bruno di S. Paolo, de
hond van Comer, is daar een voorbeeld van. Hij zou vandaag de dag nog heel
goed aan de standaard voldoen. Ik kan me nog goed herinneren dat Morsiani
honden kwam bekijken die ik toen pas had ontdekt. Ze kwamen van Colle
Sannita en waren eigendom van Jacobacci Giovanni, een monteur die een
uitermate voorbeeldige teef had, buitengewoon mooi. En nadat Morsiani haar
onderzocht had (hij was toen samen met Casolino, Gandolfi en Malavasi
hiernaar komen kijken) werd ze gefotografeerd. Toen de standaard in 4 talen
uitkwam en uitgereikt werd aan de FCI keurmeesters op de markt van Verona in
1990, stond de foto van deze teef voorop. In 1988 toen Perricone naar mijn
Plud, stamvader van mijn bloedlijnen, kwam kijken, raakte hij zeer
geïnteresseerd in hem. Hij vertelde me: "ben zuinig op hem, hij kan een
model zijn". Plud past volledig in de standaard en zelfs het
keuringsrapportje van Moriani zegt: "een voorbeeldig exemplaar van het ras".
Toen ik begon, gaf een boer niet iemand
zomaar een hond, omdat ze zelf maar een paar honden hadden. Ik zocht een
teef uit, zorgde voor de dekking, ging na de geboorte naar de boerderij om
de pups te ontwormen en dit om dan 2 pups te uit het nest te krijgen. Zo heb
ik 5 tot 6 jaar gewerkt. Ik verzorgde voor de teven de dekkingen en nam
daarbij 2 reuen mee. 1 kwam uit Cerignola en de ander uit Lucera uit de
Rocco Cocco lijn. En nadat ik ze gebruikt had op de daarvoor bestemde teven,
gaf ik de reuen terug aan het platteland. Ik had in ieder geval een paar
teven uitgekozen en had een echte stamvader voor mijn bloedlijn nodig. Een
hond die ik meer kon vertrouwen en welke me meer garantie kon geven.
Gelukkig verbleef ik toevallig bij de Leone familie, toen een zandkleurige
teef Elsa genaamd van Antonio Leone, een kleinzoon van Umberto Leone, welke
gedekt was door een reu Bruno genaamd, van de Ordona lijnen van Pinuccio
Palumb, pups kreeg. Vier pups werden er geboren, waaronder Plud, de hond die
later de stamvader van mijn bloedlijn werd. Ik bezocht Tonino (Antonio Leone)
regelmatig om deze pup te kunnen bemachtigen. Maar er was geen mogelijkheid
om hem te krijgen. Totdat op een dag dat een van Tonino’s broers naar de
boerderij van een neef van Umberto Leone, ene Filippo Leone, ging, om wat
melk te halen en hierbij per ongeluk de hond van Filippo overreedt. Filippo
ging naar de vader van Tonino en zei: "Je bezorgt me een nieuwe hond, of
onze vriendschap is voorbij". Op een dag, precies op het juiste moment, kwam
ik bij Filippo’s boerderij en zag dat zijn hond dood was en dat Tonino hem
Plud gaf. Acht maanden gingen voorbij en de pup was inmiddels wat
opgegroeid. Ik bekeek hem weer en nog steeds kon ik hem niet krijgen. Toen
besloot Filippo zijn koeien te verkopen en naar de grote stad te vertrekken.
Ik was net op het juiste moment daar en zei: "Filippo, geef me alsjeblieft
deze hond". Ik keek ernaar en zei: "Dit is de hond die ik zoek. Ik ben een
ras aan het maken. Ik ben bezig geweest met andere honden en dit is precies
de hond die ik op al mijn teven kan gebruiken". Ik gaf Filippo een
bedovertrek en een laken en hij gaf me de hond.
Ik kon deze hond niet benaderen. Hij was
acht maanden oud, maar toen al een zeer typische hond. Ik heb hem in mijn
auto gezet, ben naar huis gegaan en hij werd mijn vriend en hij werd aan mij
gehecht. Hij had een unieke intelligentie. Ik had vertrouwen in die hond,
omdat hij afkomstig was uit de Umberto Leone lijnen. Ik zal uitleggen
waarom.
In Manfredonia werd veel verteld over een
hond die Umberto Leone in de jaren ’70 had. Deze hond had dezelfde kleur als
Plud en heette Saturno. Saturno heeft een teef gedekt en daaruit kwam Leone,
een gestroomde hond (op foto rechts 15 jaar oud). Leone werd aan de Prencipe
familie uit Manfredonia gegeven. Later liet ik een van de zusters van Plud
door deze Leone dekken en hield twee teven aan, Liana en Luana, welke ik
gebruikte in mijn selectie. Leone kwam uit dat nest van Saturno. Later werd
hij gebruikt en hij is de vader van Elsa, de moeder van mijn
bloedlijn-stamvader Plud en Saturno II (gestroomd), welke de vader is van de
hond, Rocky, die Umberto Leone vandaag de dag heeft. Dus een directe nazaat.
Al reizende, dacht ik veel na; Als ik
mensen met honden bezocht vroeg ik altijd voor nieuws over de meest recente
nesten en waar deze waren. Ik was erg gehecht aan het bloed van Saturno I,
de zwarte hond, omdat volgens de verhalen van de oude mensen, dit een hele
interessante hond was. Op een dag heb ik Umberto gevraagd waar de laatste
nazaten van deze Saturno waren. Hij vertelde me dat ene Ciociola, een
tankstationhouder, een teef had en hij een reu en een teef aan een
terreinbewaker in St. Giovanni Rotondo had gegeven. We konden de teef van de
tankstationhouder niet gebruiken, omdat ze geen pups kreeg. De reu in St.
Giovanni Rotondo was dood en de teef was doorgegeven aan een andere boer,
ene Giuseppe Russo. Giuseppe Russo gaf mij deze teef, maar ze had al een
behoorlijke leeftijd. Ik heb haar twee keer gebruikt en gaf Giuseppe een
andere jongere teef.
Ik vertel dit alles voor geen andere reden
dan mijn theorie te benadrukken over deze tijd en die was zeer belangrijk,
omdat Umberto een van de boeren is, die nooit zijn Corsos geselecteerd heeft
voor te verkopen, maar voor zijn eigen gebruik. En hij gaf nooit iets aan
zomaar iemand. En de Leone familie wisselden onderling wel hun bloedlijnen
uit. Het waren verwantte honden en ik zei tegen mezelf: "Omdat deze hond
veel verwantschap in zich heeft, zal deze verwantschap een beetje domineren
als ik hem gebruik op mijn teven en kan ik eerder een type creëren". En de
feiten hebben vandaag de dag mijn gelijk bewezen.
Morsiani’s keuringsrapport over Plud:
"Grote maat hond, zwart, goed, bijpassende
bone, goede vacht, voorbeeldig hoofd, lichtelijk samenkomende parallellen,
goede schedel-neus verhouding, goed gevormd, iets licht oog, correcte
schedel, bone vorm met een opvallende curve van voren, sterke snuit, goed
ontwikkelde kauwspieren zonder overdrijving, uitmuntend type, lichte
ondervoorbeet, iets zware nek met lichte halskwab. Goedgekeurd voor de
pre-LIR. Voorbeeldig ras exemplaar."
(Antonio Morsiani)